18. Ode to Stephen King.
Vlak voor hen zat een gezin van vijf mensen – moeder, vader jongen, meisje en witharige grootmoeder – onder een grote olm te picknicken, boterhammen en iets dat eruitzag als warme chocolademelk. Ze zwaaiden vrolijk naar de marathonlopers.
‘Idioten’, mompelde Garraty.
‘Wat zei je?’ vroeg McVries.
‘Ik zei dat ik wil gaan zitten en iets wil eten. Kijk eens naar die mensen. Stelletje verdomde varkens.’
‘Dat zou jij toch ook doen,’ zei McVries. Hij zwaaide en glimlachte, het grootste, meest wijde deel van die glimlach schenkend aan de grootmoeder die terugzwaaide en kauwde – tegen haar verhemelte platdrukte was eigenlijk beter uitgedrukt – op iets als een boterham met eiersalade.
‘Had je gedacht. Daar zitten eten terwijl een stel uitgehongerde…’
‘Nauwelijks uitgehongerd, Ray. Je hebt alleen dat gevoel.’
‘Hongerige dan….’
‘De geest is belangrijker dan de materie,’ zei McVries met een eentonig klinkende stem. ‘De geest is belangrijker dan de materie, mijn jonge vriend.’ Zijn litanie werd nu een niet al te beste imitatie van W.C. Fields.
‘Barst! Je wilt het gewoon niet toegeven. Die mensen daar zijn beesten. Ze willen iemands hersens op de weg zien liggen, daarom komen ze hierheen. En ze zouden er geen enkel bezwaar tegen hebben als het de jouwe waren!’
‘Daar gaat het niet om,’ zei McVries rustig. ‘Heb je zelf niet gezegd dat je toen je jonger was een keer naar de marathon bent gaan kijken?’
‘Ja, maar toen wist ik nog niet beter.’
‘Nou, dan is er toch niets aan de hand.’ McVries lachte kort, onaangenaam. ‘Natuurlijk zijn ze beesten. Denk je dat je zojuist achter iets nieuws bent gekomen? Soms vraag ik me wel eens af hoe naïef je eigenlijk bent. De Franse adel was gewend te neuken wanneer ze iemand door de guillotine om zeep hadden zien helpen. De oude Romeinen stuften met elkaar tijdens wedstrijden van gladiatoren. Het is amusant, Garraty. Het is niets nieuws.’ Hij lachte weer. Garraty staarde hem aan, gefascineerd.
‘Ga door,’ zei iemand. ‘Je bent op het tweede honk, McVries. Wil je proberen het derde te halen?’
Garraty hoefde zich niet om te draaien. Het was Stebbins natuurlijk. Stebbins, de magere boeddha. Zijn voeten droegen hem automatisch voort, maar hij was zich er vaag van bewust dat ze opgezet en glibberig aanvoelden, alsof ze zich met pus aan het vullen waren.
‘De dood is geweldig eetlustbevorderen,’ zei McVries. ‘Wat dacht je van die meisjes en Gribble? Ze wilden weten hoe het aanvoelde om te neuken met een dooie vent. Dat is eens iets nieuws en geheel anders. Ik weet niet of Gribble er veel lol aan heeft beleefd, maar zij ongetwijfeld wel. En dat gaat voor iedereen op, wie dan ook. Het doet er niet toe of ze eten of drinken of op hun achterste zitten. Ze vinden alles mooier, alles smaakt lekkerder, alles voelt prettiger, omdat ze naar dooie kerels kijken. Maar zelfs daar gaat het bij deze kleine expeditie niet werkelijk om, Garraty. Punt is dat zij de slimmeriken zijn. Zij worden niet voor de leeuwen gegooid. Zij strompelen niet voort en hoeven niet te hopen dat ze niet hoeven kakken wanneer ze al twee waarschuwingen binnen hebben. Je bent dom, garraty. Jij en ik, Pearson, Barkovitch en Stebbins zijn allemaal dom. Scram is dom omdat hij denkt dat hij het begrijpt, maar dat niet doet. Olson is dom omdat hij het veel te laat heeft begrepen. Zij zijn inderdaad beesten. Maar waarom ben je er verdomme zo zeker van dat wij daardoor mensen zijn?’
Hij zweeg, bevangen door een ernstig ademtekort.
‘kijk,’ zeij hij. ‘Jij begon over iets en toen ging ik erop door. Preekje nummer 342 in een reeks van zesduizend etcetera etcetera. Ik heb mijn leven waarschijnlijk zojuist met vijf uur of meer bekort.’
‘Waarom loop jij dan mee?’vroeg Garraty hem. ‘Als je zoveel weet en zo zeker bent, waarom loop je dan mee?’
‘Om dezelfde reden waarom we allemaal meelopen,’ zei Stebbins. Hij glimlachte vriendelijk, bijna liefdevol. Zijn lippen waren een beetje uitgedroogd door de zon, zijn gezicht had nog geen lijnen en leek onoverwinnelijkheid uit te stralen. ‘We willen sterven, daarom doen we mee. Waarom anders, Garraty? Waarom anders?’
De Marathon – Stephen King
